Smeltkroes De Pijp, vierdelige serie over De Pijp

Buurtgevoel

Het wordt wel het Quartier Latin van Amsterdam genoemd: De Pijp. De gehele aardbol lijkt er een afvaardiging te hebben; Chinezen, Marokkanen, Turken, Polen, Zuid-Afrikanen, Amerikanen en Hollanders wonen er kriskras door elkaar. Ook alle gildes zijn vertegenwoordigd; student, advocaat, winkelbediende, uitbater, schoenmaker, hoer, zwerver en junk. De Pijp is het dichtsbevolkte stadsdeel van Nederland en telt het hoogste aantal alleenstaanden. De markt, de talloze eettentjes die bij het minste zonnesprankje tafels naar buiten slepen om hun spijzen uit te stallen, de rosse buurt, de vele terrassen en buitenissige winkels maken dat het er prettig toeven is. Niet alleen voor toeristen. Menige yup spreekt tegenwoordig zijn spaarvarken aan om een fraai pand in de Frans Halsstraat te bemachtigen. Ga je van de Frans Hals, de Ceintuurbaan of de Sarphatibuurt richting het Hercules Segherskwartier, dan worden de eettenten spaarzamer, de uitbaters schaarser, de huishoudens minder alleenstaand, de wijk minder bleek, de portemonnees minder dik.

Daar bestaat het buurtgevoel nog, zegt wijkagent Harald van Dam, die sinds jaar en dag op zijn dagelijkse ronde loopt, over het Hercules Seghersplein naar de Ruysdaelkade waar de nieuwe, fleurig wit-oranje geschilderde wijkpost straks gevestigd wordt. Onderwijl spreekt hij met buurtbewoners die klagen over overlast, beboet hij foutparkeerders, straft de wildplassers, maant hangjongeren geen stickies meer te roken, raadt de gillende flessengooiende oude dame aan zich te laten behandelen, bekijkt argwanend of het een dealer is die zo hard wegspurt, groet zwervers, of maakt een praatje met de Friesche slager, die de beste biefstukken heeft en de laatste roddels. Geen gemakkelijke buurt; inbraken, steekpartijen en berovingen komen regelmatig voor. Maar een leuke buurt, vanwege de straatfeesten, de barbecues op het plein, de ex-gedetineerden uit het nabijgelegen cafe die de kinderen helpen met muurschilderingen, vanwege de geveltuinendag en de nationale opruimdag voor kinderen.

Ellie Nocito zou nergens anders willen wonen. Iedereen kent Ellie, al was het alleen vanwege haar ver dragende stem: He buuv…hoe gaat het? Nooit te beroerd om een raddraaier toe te spreken. Ook Lange Marie, die toch wel eens op de vuist is gegaan met jongeren in de buurt omdat de voetballen haar om de oren vlogen, wil alleen weg ,,tussen zes latten”. Antonio Nocito, de Italiaanse ijscoman, is de enige die misschien nog wel eens zou willen verhuizen. Naar Frankrijk. Het multiculturele drama? Nooit van gehoord, zegt Ellie. ,,Maar ik vind: een heleboel mensen zetten zich nergens een reet voor in.”

Een serie over het buurtgevoel in De Pijp.

Antonio Nocito: Blij dat ik híer en niet daar mijn been verloren ben

Zondagochtend. Mama mia, si si ik heb lekkere gelati, knalt het uit de luidsprekers van zijn bontversierde ijscokar. Dat laatste woord, gelati, zingt Antonio Nocito (59) luidkeels mee. Vandaag draagt hij een witte hoed, gister een parasolachtig hoofddeksel. ,,Ik heb tien verschillende”, verklaart hij. Als hij een park nadert, vliegen kinderen als een zwerm bijen op hem af. Eén of twee bollen?, vraagt hij. Zijn vaste route: Beatrix-, Sarphati- en Oosterpark. De kar met hot dogs is in reparatie, maar normaal gesproken voorziet hij in een warme en koude versnaperingen. Bent u een Italiaan?, vroeg een wandelaar hem laatst. Ja, hij ís een Italiaan, zijn bakermat het roemruchte Sicilië dat nog steeds associaties oproept met de maffia. Daarom boezemt zijn naam angst in, nog steeds, meent hij. In de jaren vijftig verliet Nocito zijn vaderland. ,,Nederland is een goed land om te wonen; de sociale voorzieningen zijn uitstekend. Ik ben blij dat ik hier mijn been ben verloren en niet daar.” Door een ongeval met zijn Zundap scooter moet hij met een prothese door het leven. De Nederland bekeken hem argwanend in die beginjaren. ,,Italianen hadden een slechte naam, men dacht dat het viezeriken waren, dat ze kinderen maakten. Maar als ze je beter kenden dan was er niets aan de hand.” Toch hing de schoonfamilie niet direct de vlag uit toen hun blonde dochter met de besnorde Antonio thuiskwam. Hij moest zich laten naturaliseren. Ze waren bang dat dochterlief bezwangerd achter zou blijven terwijl Tony de kuierlatten nam naar Italië. Pas veel later nam hij de Nederlandse nationaliteit aan. ,,Ik weet het niet meer precies, er waren problemen met de woning, ze wilden alle buitenlanders wegsturen. Ik was bang, ik was invalide en ik dacht straks geven ze me 10 000 gulden en sturen ze me terug naar Italië. Dan kon ik overnieuw beginnen. Uitkeringen werden toen niet verstuurd.” Zijn woning mocht hij behouden. Inmiddels woont hij alweer 26 jaar in De Pijp. Drie kinderen heeft hij; twee zoons en een dochter. Zijn kinderen voelen zich Nederlands, ook al worden ze wel eens voor spaghettivreter uitgemaakt. Zelf voelt hij zich na al die jaren nog geen Nederlander. ,,De taal. De manier hoe ik Nederlands praat, zo slecht vind ik, als ik me op een bandje terughoor. Ik weet nog steeds niet het verschil tussen zijn en haar. Zeg zijn moeder, terwijl ik haar moeder bedoel. Mijn zins . . . hoe heet dat . . . ja, zinsconstructies zijn niet goed. Maar, Italiaan voel ik me ook niet. ,,Italianen zijn lief zolang je ze nodig hebt. Ik probeer zo eerlijk mogelijk te zijn. Italianen zijn lui. Ik werk hard.” In de buurt worden Italianen allang niet meer beschouwd als migranten. Vreemdelingen dat zijn Turken en Marokkanen. Toch wordt hij nog wel eens op zijn Italiaanse herkomst aangesproken. ,,Een vrouw die hier vroeger in de buurt woonde mocht mij niet, omdat ik haar parkiet per ongeluk heb laten wegvliegen. Toen ze verschrikkelijk begon te vloeken, potverdorie en nog erger, heb ik haar uit mijn huis gestuurd. Hier wordt niet gevloekt, zei ik. Toen was ze boos. Klote Italiaan, schold ze. Ellie, mijn vrouw, sloot vrede met haar. Dat snap ik niet.” We zitten aan de zelfgebouwde bar in zijn huis, hij schenkt een drankje in en neemt een slok van zijn pils. Zijn vrouw komt binnen met de buurtconcierges. Hij tikt verheugd op de bar: willen jullie wat drinken? De Pijp is veranderd in die 26 jaar, meent hij, agressiever geworden. ,,Als je een stuiver in je zak hebt, dan pakken ze die al af. In de binnentuin is zo vaak ingebroken, voor tien blikken bier of een paar worsten klimmen ze het hek over. Tegen het hek plassen deden ze vroeger ook al, poepen zelfs, maar als je een dreigend gezicht trok, dan renden ze weg.” Nu niet meer, laatst kreeg hij een tegel tegen zijn goede been toen hij een wildplasser vermanend toesprak. Een week lag hij in het ziekenhuis. ,,De Nederlanders zijn verdwenen, een op de vier is er nog Nederlander. Als je op de Albert Cuyp komt is het een op tien. Ik ben zelf ook buitenlander, maar ik spreek de taal. Toen ik in Duitsland werkte sprak ik Duits, in Nederland Nederlands. Maar hier . . . hier praten ze hun eigen taal. Ook als er mensen bij staan die dat niet begrijpen. Toen ik in Weesp woonde kreeg ik ruzie met mijn landgenoten omdat ik Nederlands wilde leren en niet langer Italiaans met ze wilde praten. Rotzak, wat denk je wel niet, zeiden ze. Tien jaar heb ik geen Italiaans gesproken. Dag zei ik en was weg als er een Italiaan in de buurt was. Het is onbeschoft om niet de taal van je land te spreken en alleen maar met elkaar te praten.” De jongeren van tegenwoordig zijn vreselijk, moppert hij. “Als ik er met mijn ijscokar aankom gaan ze niet opzij. Ik doe dan net of ik over ze heenrijd.”

 

Lange Marie: Zat ik tv te kijken, kreeg ik een bal tegen me kop

,,Met geen stok krijgen ze me hier weg. Alleen tussen zes plankies.” Zestig jaar woont de 84- jarige Marie Pauw – lange Marie – al in De Pijp. De ledematen zijn gekrompen, de botten broos geworden, maar een gebroken heup en rugwervels jagen haar niet het bejaardentehuis in. Lange Marie, nu door iedereen Oma genoemd, is na een jaar revalideren weer terug op haar stek; een benedenwoning met uitzicht op het Hercules Seghersplein. Een ruime woonkamer, twee slaapkamers en een grote keuken. Boven de bank een goudomrande Nachtwacht van duizenden kruissteekjes. ,,In drie maanden gemaakt.” De rolator is haar redding. ,,Had ik veel eerder moeten doen, maar ik voelde me zo oud met zo’n ding.” Waarom ze onder geen beding weg wil? Ze wijst naar buiten. ,,Als ik naar buiten kijk is het alsof ik in de tuin zit.” Groene wuivende boomkruinen en de fleurige hangplanten op haar balkon bieden een fraai aanzicht. Schijnt de zon dan gaan de deuren wagenwijd open en dommelt ze wat in haar ligstoel, regelmatig opgeschrikt door een groet. ,,De kinderen roepen de hele dag naar binnen: dag oma. Ook die Turkse kinderen. Ja, ik praat ook met ze. Waarom niet? Ik heb geen hekel aan ze, ze doen me niets.”

,,Je hebt veel afleiding hier. Als ik drie hoog had gewoond was het anders geweest. Dan had ik het niet gered: negen jaar geleden stierf mijn man. Hij rookte zich de pokke.” Vroeger vlogen er om de haverklap ballen uit de zo geprezen hortus – tevens speelplaats – naar binnen. ,,Zat ik tv te kijken, kreeg ik een bal tegen me kop. De politie gewaarschuwd. Die deden niets. Ik zei: jullie zijn als de dood voor die gasten. De buurvrouw vond: die kinderen moeten toch wat. Laat ze. Maar ik zei: ik betaal toch ook mijn huur, dit is krankzinnig. Het is een heel gedoe geweest. Op een gegeven moment heb ik een van die Marokkaanse jongens een klap op zijn harses gegeven. Hij zei: ik sla geen vrouwen. Maar je kankert ze wel dood, zei ik. De buren hebben de politie gebeld.’ Nu er een raster over het voetbalveld is gekomen, kan ze weer ongestoord tv kijken. Maar rustig is het nooit op het plein. ,,De kinderen krijsen ontzettend. Die Turkse moeders zeggen er niets van. Maar de meeste kinderen die nu op het plein spelen ken ik vanaf de geboorte. Dus als ik wat tegen ze zeg, dan luisteren ze.” Een halve eeuw woont ze al in de Pijp: in 1940 betrok ze met haar man een halve woning in de1e Jan van der Heydenstraat even verderop. ,,Een kamer, alkoof, keuken en balkon. Klein, maar toch een paleisje. Met de twee meisjes sliepen we in de alkoof. Gezellig.” Moeder kwam ook in de straat wonen. ,,Lekker dichtbij. Vroeger was het hoe dichter bij elkaar hoe beter. Tegenwoordig is het: hoe verder weg hoe beter.” Haar ene dochter woont in Abcoude, de andere in Spanje. De oudste woonde vroeger om de hoek en verkocht samen met haar schoonmoeder gesneden groente op de Albert Cuyp. Lange Martie hielp mee: ,,Ik heb heel wat aardappelen geschild. De Albert Cuypmarkt kan ik dromen.” Tegenwoordig haalt ze net de eerste markt, dat wil zeggen als ze ook goed geoefend heeft op de hometrainer, twee keer 200 tellen per dag. Dochterlief is blij dat ze de wijk heeft genomen naar Spanje. Het is haat en nijd op de markt en de buurt is zo verpauperd, vindt die. Vroeger, ja vroeger was het anders. Gingen de mensen gezelliger met elkaar om, peinst Oma. Ze denkt aan de oorlog. De mannen werkten in Duitsland. De achtergebleven vrouwen zochten elkaar op. Televisie was er niet. Er werden spelletjes gespeeld. Toch was het ook ieder voor zich, als het op voedsel aankwam. Kilometers fietste ze op massieve banden, naar Amstelveen voor een paar kilo aardappels. ,,We hielden kuikens op het balkon in de hoop dat eieren van kwamen. Maar voor dat het zover was sneuvelden ze al. ’s Avonds met spertijd was het uitkijken, niet je kop uit het raam steken, anders schoten ze hem eraf. En heel wat liepen er ’s nachts de gracht in omdat het stikkedonker was.” De mensen van weleer zijn verdwenen. Verhuisd of dood. Het trappenhuis is veranderd. ,,Die Afrikaanse vrouw van hierboven is een schatje. Laatst kwam ze me een bos bloemen brengen en een kus geven. Ze kan niet wennen hier. De Joegoslaven en Russen die hier wonen zie je nooit.” Babbelen met de vrouwen op het plein is anders geworden; voor de Marokkaanse en Turkse vrouwen moet je veel meer moeite doen, vindt ze, vanwege de taal. Maar laatst is ze wel op een Marokkaanse bruiloft geweest. Ze glundert als ze denkt aan de buurtfeesten. Bij de vorige barbecue op het plein, toen ze nog goed ter been was, danste ze erop los. ,,Met de Surinaamse buurman. Hij noemde mij de Koningin en Ellie de Prinses.” Ze laat een foto zien. Oma 80 jaar, staat er op een bord. Allemaal slingers en ballonen op het balkon. Ze wijst: ,,Zelfs een opgeblazen kapotje hing er tussen. Ellie had op karton geschreven: Zin om te wippen? Dan even bij Oma binnenwippen.” Ze heugt zich de zomeravonden van nog niet eens zo lang geleden, lachen op het plein met Ellie en de andere vrouwen. Nu zijn de contacten in de buurt wat verwaterd: vanwege haar immobiliteit en een kleine ruzie die nog steeds niet is bijgelegd. Eenzaam voelt ze zich af en toe toch wel, ja. De sociale controle is onveranderd gebleven: ‘heb ik de gordijnen dicht ‘s morgens, dan roepen ze: He wat is er met oma aan de hand?’

 

Ellie Nocito: Ceintuurbaan is kak

Het is zaterdag. En bloedheet. We zitten op het Hercules Seghersplein. Kinderen spelen op de klimrekken. In de schaduw van de bomen keuvelen vrouwen. Oma ligt op haar balkon. De rust is weergekeerd nadat vanochtend vroeg twee brandweerauto’s loeiend de straat in kwamen om een vrouw te ontzetten die, gewapend met spiritusfles en aansteker dreigde zichzelf in de fik te steken. ‘Ik ben honderden jaren oud, ik ben een heks’, hoorde Ellie Nocito (46), die alarm had geslagen, haar zeggen. Een bezoekster uit Amstelveen had stomverbaasd uitgeroepen dit heb ik nog nooit meegemaakt. ,,O, dat is bij ons heel gewoon”, had Ellie geantwoord. Zoals er wel meer gewoon is. Gisteravond zijn er uit haar tuin voor de zoveelste keer cola-blikjes gestolen. Ook de doelen van het voetbalveldje op het Hercules Seghersplein zijn ontvreemd. Maar, ze zou nergens anders willen wonen dan in De Pijp. Zestien jaar woont ze nu in de Govert Flinck. ,,Een paar straten verderop is hét er al niet meer. Ceintuurbaan is kak. Hier laten ze je in je waarde. Daar luisteren mensen niet naar elkaar. Hier stap je op je buurman af als er iets is. Saai is het hier nooit. Twintig verschillende culturen wonen hier. Alle kinderen spelen met elkaar. Laatst hebben we gebarbecued met de buurt op het plein, alle soorten gerechten uit alle werelddelen.”

Ze knikt naar de vrouwen op de bankjes. ,,Vroeger dacht ik: wat achterlijk die hoofddoeken. Maar nu ze hebben uitgelegd dat dat is om hun schoonheid tegen opdringerige blikken van andere mannen te beschermen, respecteer ik dat.” Salsamuziek schalt uit een voorbijrijdende auto. Links en rechts wordt Ellie gegroet. ,,Hé Ellie”, de negenjarige Said wijst naar twee jongens die zich buiten het zicht van Ellie op het hek hebben geposteerd en klikt: ,,Zij zitten op het hek.” Ellie: ,,Jongens, ga van dat hek af.” Ze gehoorzamen prompt. ,,Komt door mijn schelle stem. Iedereen in de buurt kent mijn stem. En mijn ogen: ik heb mijn kinderen met mijn ogen opgevoed.” Als plattelandsmeisje was ze timide. ,,Maar gebektheid, dat leer je wel in Amsterdam. Vroeger zeiden ze wel eens ‘spaghettivreters’ tegen mijn kinderen, omdat ze een Italiaanse vader hebben. Dan riep ik; ik zeg toch ook geen couscous tegen jullie. Dan was het over. Humor is belangrijk. Hier hebben we humor.” Maar ze vindt dat mensen te vaak hun mond houden, als iets hen niet zint, en niets durven zeggen. Ellie niet, die stapt overal op af. Zitten er twee alcoholisten op het bankje, ze gaat ernaartoe. Een boomlange neger die voor de zoveelste keer in de steeg plast, ze stuurt hond Nero erop af. Zo stapte ze ook op de Marokkaanse jongeren af, die onder de poort scholen en elkaar of anderen lastig vielen. Samen met de buurtconciërge. ,,Geen jongens uit de straat. De ouders van degenen die wel uit de Govert Flinck komen hebben we gezegd: je moet op je kind passen.”

,,Hier zijn er geen relletjes, omdat we erop letten. Ook Malika (de Marokkaanse buurvrouw, red.) zegt dat Marokkaanse ouders soms de kinderen niet in de hand hebben. Wat dat betreft kunnen we veel leren van die buurtvaders uit Oud-West.” Iedereen kent Ellie. Ellie kent iedereen. Ellie regelt alles, organiseert feesten en partijen en springt vaak bij om een bewoner te helpen. ,,Ik ben net een sociaal werkster hier in de buurt, ja. Waarom ik het doe? Ik kom uit een gezin met veertien kinderen. Knoerdgezellig. Mijn moeder hielp iedereen, ook al had ze weinig geld. Een vieze man die aan de deur kwam met knopen liet zij binnen en gaf zij een glas melk met zes boterhammen. Van haar heb ik geleerd voor je medemens op te komen.” Vergenoegd wijst ze naar het raster over het voetbalveld. Niemand die meer last heeft van rondvliegende voetballen. En kijk de muur, friswit geverfd door ex-gedetineerden van café Jan Steen. Binnenkort zullen de kinderen onder begeleiding muurschilderingen maken. Leuke buurt, maar je moet er wel wat voor doen om dat zo te houden. Drie jaar geleden werd op haar initiatief een buurtcomité opgericht. Daarin zitten bewoners, de politie, de woningbouwvereniging, een deelraadwethouder, de baas van het ex-gedetineerdencafé Jan Steen en de buurtconcierges. ,,Het begint zijn vruchten af te werpen, het buurtcomité. We krijgen nu een extra toilet buiten, dat heeft de deelwethouder beloofd.” De bezoekers van de hoerenbuurt blijken behalve lawaaierig ook fervente wildplassers.  Sinds de oprichting van het comité spant ook de woningbouwvereniging zich meer in dan vroeger, vindt Ellie. De woningbouwvereniging zet mensen uit hun woning. Dat klinkt op zichzelf niet zo hulpvaardig, maar verscheidene bewoners zorgen voor overlast. De buurt heeft met de hulp van de woningbouwvereniging en politie voor elkaar gekregen dat Ellies overbuurvrouw op 20 juli voor de rechtbank moet verschijnen. De vrouw slingert in dronken, depressieve buien lege flessen vanaf haar balkon naar de voorbijgangers. Een paar jaar geleden was het een meneer in hetzelfde huizenblok die mosterd- en bloempotten naar passanten gooide. ,,Dat kan toch niet.” Het is een paar dagen later. Een doordeweekse dag. Twee uur in de middag. De politie staat vandaag al voor de tweede keer aan de deur van Ellies overbuurvrouw. Zojuist heeft de vrouw onder politie escorte het pand verlaten. De bewoners drommen samen. Is het weer zo ver?, roept de Surinaamse buurman. Ellie praat met de agenten, die uitleggen ook niets te kunnen doen voor 20 juli. De hoop is gevestigd op het proces. Veel bewoners zullen er zijn om hun beklag te doen. De man van de woningbouwvereniging komt aanlopen met een blik verf, om de deur een likje te geven: de politie zag zich genoodzaakt de deur in te trappen omdat er niet werd opengedaan. Ellie steekt de straat over en gaat verder met het wieden van onkruid in haar stoeptuintje.

 

De buurtregisseur: Momenteel is de zaak onder controle

Druilerig weer. Een rijzige Harold van Dam verlaat het politiebureau aan de Ferdinand Bolstraat. ,,Elke dienst probeer ik toch zeker een uur door de wijk te lopen.” Kennen en gekend worden, is het motto van de wijkagent die anno 2000 buurtregisseur genoemd wordt. We benen door De Pijp. Eerst op bezoek bij een burger die lawaaioverlast veroorzaakt. ,,Kijken of hij zijn roes heeft uitgeslapen.” Na de bel blijft het muisstil. ,,Straks nog maar eens proberen.” We naderen het Hercules Seghersplein; het hart van zijn buurt die omsloten wordt door de Albert Cuyp, de Ferdinand Bol, de Ruysdael en de Ceintuurbaan. Op het plein lummelen jongens. Een maakt zich los van de groep, vraagt ongeduldig: wanneer komen de doelen terug? Alsof de buurtregisseur de taak heeft de gestolen kooien door nieuwe te vervangen. Van Dam weet het ook niet. De rest slentert in de richting van de koffieshop. Vanonder hun donkere oogharen houden ze de buurtregisseur in de gaten. ,,Een jongerenbende? Welnee. Hangjongeren”, verduidelijkt Van Dam. Tien jongens, overwegend Marokkaanse maar ook autochtone. ,,Ze vallen wel eens mensen lastig, hangen voor snackbars en koffieshops. Sommigen deden boodschappen voor de hoeren. Dat gaf rottigheid; ze claimden de enige te zijn die boodschappen mocht doen of ze verdwenen met het wisselgeld.” Met de jongens zijn afspraken gemaakt, ook over het hangen in de portieken en hasj roken. ,,Doe dat niet anders krijg je een procesverbaal, heb ik ze gewaarschuwd.” En vooralsnog heeft hij ze niet kunnen betrappen. Een lastige buurt? ,,Volgens de statistieken gebeurt er veel, ja; auto-inbraken, diefstal, inbraak, steekpartijen en bedreigingen en af en toe dealen. Maar momenteel is de zaak onder controle. Van toenemende criminaliteit is geen sprake. De jongetjes die inbraken in de auto’s en radio’s jatten zijn allemaal opgepakt. Er is met hun ouders gesproken. Vaders surveilleerden enige tijd door de wijk.” Het drugspand waar stevig werd verhandeld is enige tijd geleden alweer ontruimd. ,,Door de buurt te mobiliseren – waarschuw ons als je wat ziet – en via observatie en hebben we dealers tijdens een inval kunnen arresteren.” Op de hoek komen we Jimmy tegen. Het eens woeste kroeshaar is gekortwiekt, de tanden wit, de kleren vrijwel onberispelijk. Ergens onder de geruite bloes bolt iets karteligs, vermoedelijk flessendoppen. Maar de adem ruikt fris. Hoe was je vakantie?, vraagt de buurtregisseur. ,,Ja leuk, naar Turkije met de bus . . .” De bloemenman van het stalletje verderop heeft zich over Jimmy ontfermd, legt Van Dam uit. Hij heeft hem werk verschaft en beheert zijn uitkering. In slechter dagen zwalkte Jimmy dikwijls met een halve liter bier in de hand over straat. Slapen deed hij in de portiek van De Hema, boodschappenkarren met plastic zakken als een vestingmuur om zich heen. Hé Van Dam! Een graatmagere fietser steekt enthousiast de hand op, terwijl hij onder de poort door racet. Het stinkt er. De schuine wanden kunnen niet voorkomen dat mannen regelmatig hier de blaas legen. ,,Zaterdag heb ik er nog een bekeurd. Het is op medisch advies, beweerde die.” Al twintig jaar loopt Van Dam zijn rondes door deze wijk. Er gebeurt van alles, maar toch een leuke buurt, vindt hij: ,,Er zijn veel feesten, er is nog echt een buurtgevoel. De buurt organiseert van alles; een schoonmaakdag voor kinderen, een tuingeveldag, een hondenpoepactie; werden op alle drollen vlaggetjes geprikt om de eigenaren te manen hun honden niet op straat te laten poepen . . .”

We gaan nog even op huisbezoek, ditmaal bij een echtpaar waarvan de vrouw zich regelmatig een delirium drinkt. Het is er donker, de kamer is volgestouwd met beeldjes en de televisie snort. Het echtpaar zit in de ochtendjas: de echtgenoot bepleit een algeheel lichamelijk onderzoek bij zijn vrouw. ,,Er komt geen druppel meer in”, verzekert hij, terwijl zijn vrouw de ene sigaret na de andere verslindt. ,,Maar ze is niet goed. Ik ken d’r: ze is niet goed. Ze hoeft niet naar de Jellinek, maar naar de dokter.” Hij laat een foto zien uit beter tijden; hij en zijn vrouw in roomwit gekleed met op de achtergrond de duiven van de Dam. Hij heeft haar hoog in de lucht getild. ,,Een moordwijf.”

’s Avonds is er de buurtvergadering. Ook de buurtregisseur wordt verwacht. Weinig bewoners zijn komen opdagen. Tijdens de rondvraag informeert Van Dam: hoe gaat het met de hangjongeren? Ellie bespeurt in de buurt soms jochies op scootertjes, die met mobieltjes vraag en aanbod van dealer en gebruiker bij elkaar brengen. Voor je boe of ba hebt gezegd zijn ze verdwenen. Ellie belooft de nummerplaten op te schrijven en door te bellen. Er wordt afgesproken dat zoveel mogelijk bewoners zullen worden opgetrommeld voor het kort geding waarin een poging wordt gedaan de flessengooiende overbuurvrouw te ontruimen. Een paar dagen later is het zover. Bewoners verzamelen zich voor het huis van Ellie. De Antilliaanse en Surinaamse buren die regelmatig verrot worden gescholden zijn ook mee. Het is sneu want vroeger was ze heel normaal, zeggen die. Maar ja, ’s nachts muziek, flessen uit het raam, gillen, krijsen en scheldkannonades . . . Het is na drie jaar de meesten te veel. In de rechtszaal bevestigt Harold van Dam -als gezagsdrager- alle klachten. De rechter hamert af.

Ellen de Vries

Trouw dinsdag 5, 12, 19 en 26 september 2000