Sampi is dood. Maar wie vergoedt de schade?

| gepubliceerd op

Paramaribo Post, nr. 41, 24 juni 2004

Wekenlang vulde ‘Suriname’s meest gezochte crimineel’ de krantenkolommen. Tot de politie hem in een vuurgevecht doodschoot. Eenmaal onder de zoden is Arisin Sampi oud nieuws. Maar niet voor de familie!

Goejaba? Een roversnest!, fluisteren stadsbewoners. Maar bij aankomst in de late namiddag -bus kapot, duizelig van de malariatabletten, op de boot overvallen door twee fikse regenbuien – treffen we een op het oog gemoedelijk dorp aan. Huisjes met zinkplaten en pinasbladeren daken verscholen tussen de palmbomen vormen het vriendelijk aanzicht. De karakteristieke kerktoren ontbreekt; hier geen papen of evangelisten! Goejaba is een ‘zeer traditioneel’ Saramakkaans dorp, vertelde politievoorlichter John Jones ons vooraf al in de stad. Familieleden -’ma bere’- houden elkaar de hand boven het hoofd, meent hij.

Als de avond is gevallen ontvangt hoofdkapitein Aparo Kudemusu ons in zijn kantoor. Rum zijn we vergeten, maar als welkomstgeschenk offreren we de kapitein drie rollen biscuit. Regen roffelt op het dak. We zijn gekomen om te praten over Arisin Sampi, verklaren we. Wie was hij nu precies? En we willen zien of het A-team het huisje van Sampi’s moeder heeft vernield, zoals de familie in de stad rondvertelt. Kudemusu draagt een joekel van een ogri ai om zijn hals, maar die heeft niet kunnen voorkomen dat onheil zijn dorp teistert. Kudemusu bevestigt dat het A-team op zoek was naar de voortvluchtige Arisin Sampi (red.- op 19 januari). Spreken deed Kudemusu de politiemannen echter niet, beledigd als hij was dat het team zich niet – conform de regels- bij hem had gemeld. Had het team netjes belet gevraagd dan had hij ze zeker geholpen, zegt hij. Dat het dorp criminelen beschermt, zoals de politie beweert, ontkent hij stellig. De hoofdkapitein weet van de misdaden die de jongens plegen in de stad. Hij keurt dat niet goed. ‘Ik praat met ze, maar het is aan dovemansoren gezegd. Ze hebben geweren, ze zijn onhandelbaar.’ Sampi was een van die rovers, weet Kudemusu. Hij zegt vergeefs om politie-ondersteuning in de vorm van een politiepost te hebben gevraagd.

Pleegt de dorpeling een moord, dan wordt hij traditioneel verbannen. Maar de moord die Sampi in de stad zou hebben gepleegd, achtte het dorp niet bewezen. Vandaar dat Sampi kon schuilen in Goejaba, waar hij een deel van zijn jeugd doorbracht.

WE BEZOEKEN Sampi’s moeder in het hutje dat ze tijdelijk heeft betrokken. Anjemoe Sampi, klein en mager, veegt de stoelen schoon, zodat we kunnen gaan zitten. Hoog aan het plafond brandt een peertje; blinkend geschuurde pannen aan de wand weerkaatsen het helle licht. Ratten spelen verstoppertje. De baby kucht in zijn slaap. Ook Sampi’s oom Jozef Sampi is aanwezig bij het gesprek. Anjemoe Sampi, -de handen deemoedig in de schoot gevouwen-, schetst de jeugd van haar zoon. Ze vertelt dat Arisin 21 jaar oud is geworden (red- Een officiele instantie noemt als geboortedatum 22.5.1983). Arisin was een kleuter toen zijn vader Beri Tiopo door het Nationaal Leger op Atjoni werd vermoord samen met zes streekgenoten. Dat was oudejaarsavond 31.12.1987. Nee, Beri Tiopo was geen jungle. En nee, Sampi was er niet bij toen zijn vader werd vermoord. Arisin groeide op bij zijn moeder; zijn twee zussen bij familieleden. Door de binnenlandse oorlog bleven kinderen jarenlang verstoken van  onderwijs. Sampi had -anders dan zijn zusjes- helemaal geen onderwijs genoten; volgens Anjemoe vertrok hij op zijn vijftiende van huis naar de goudvelden.

Op advies van haar broer Freddy zag Anjemoe er vanaf naar de stad af te reizen om haar zoon de laatste eer te bewijzen. De aanblik van het geschonden gelaat zou te gruwelijk zijn. Dat de Saramakkaanse traditie de moeder verbiedt haar zoon te begraven is, klopt volgens de familie Sampi niet helemaal. Bij een begrafenis in het dorp mogen de vrouwen niet aanwezig zijn. Vindt de plechtigheid in de stad plaats dan geldt dat niet.

Het is laat. Morgen zal ze ons het huis laten zien. We gaan slapen. Keiharde muziek schalt de godganse nacht door het dorp. Bij het krieken van de dag worden de bassen gelukkig afgelost door het bescheiden geluid van de apintidrum. Nee, geen rouwbeklag voor Sampi; het eerbetoon is bestemd voor een onlangs overleden vooraanstaande dorpeling. In de ochtendnevel lopen we naar het huis van Anjemoe Sampi. Onderweg komen we vrouwen tegen die al terugkeren van de rivier; op het hoofd kleurige teilen vol schone was. Anjemoe poseert gewillig voor de foto en wijst ons de kogelgaten, de vernielde tussenschotten en de plaats voor het huis waarvan de inboedel zou zijn verbrand door het A-team. Dit uit woede dat Sampi hen weer te snel af was.

MANNEN UIT het dorp zijn samengedromd voor het huis. Uit een plastic zakje peutert Rambo Popoe gedienstig een lege kogelhuls. ‘Van een 9 mm geweer’, zegt hij. Popoe heeft gezien hoe het A- de boel in de fik stak. Sampi’s moeder tovert een lijstje tevoorschijn waarop de verbrande goederen staan… onder andere een taperecorder, zonnepaneel, koffers met kleren, een matras, tafel en Timberland-schoenen… De moeder stelt : ‘Ik ben er heilig van overtuigd dat Sampi nooit iemand een haar heeft gekrenkt.’ In hun eer gekwetste dorpsgenoten zouden Sampi in een kwaad daglicht hebben gesteld. De mannen menen dat veel misdrijven ten onrechte aan Sampi zijn toegeschreven. ‘Hij werd beschuldigd van roofovervallen in Paramaribo, terwijl hij in Goejaba was,’ roepen ze verontwaardigd uit.

Oom Freddy die in de stad woont, meent ook dat het aantal misdaden dat op Samp’s conto wordt geschreven, is overdreven. ‘Het roven gaat nu gewoon door.’ Maar dat Sampi helemaal brandschoon is, geloof hij ook weer niet. Hij denkt dat zijn neef met de verkeerde jongens in aanraking is gekomen en zo op het slechte pad is geraakt. Arisin zou het slachtoffer zijn van verwaarlozing: na de gewelddadige moord op zijn vader is hij aan zijn lot overgelaten. In het dorp was Sampi geliefd bij de kinderen, maar niet bij de volwassenen. Niet meer sinds hij een dorpeling in het been schoot om de inbraak in het huis van zijn moeder te wreken. Zo laten we ons door een bron vertellen. In colonne marcheren we naar de hoofdkapitein die aan zijn boot werkt om hem nog een laatste vraag te stellen. Op de werkplaats ruikt het naar verse houtsnippers en verf. Volgens de kapitein is niet zozeer een oorlogstrauma als wel het feit dat Sampi op jonge leeftijd al over grote sommen geld beschikte de oorzaak van zijn ontsporing. Eenmaal gewend op grote voet te leven, moest hij roven om zijn levensstandaard hoog te houden, vermoedt de hoofdkapitein.

HOE KWAM Sampi dan aan die grote sommen geld? In 1993 bracht mensenrechtenacitivist Stanley Rensch de moord op vader Tiopo en de zes andere mannen: de zogenaamde Aloeboetoe-case (drie van hen heetten Aloeboetoe) voor het Inter-Amerikaanse Hof voor Mensenrechtenschendingen. Die veroordeelde de staat Suriname tot het betalen van schadevergoedingen aan de nabestaanden. In totaal ging het om 27 volwassenen (moeders en vrouwen) en 17 kinderen, leggen de voorzitter en ondervoorzitter van de stichting Aloeboetoe respectievelijk Armand Tjong-A-Hung en Jozef Brahim uit. In het kantoor van Fernandes, waar het zoemt van de bedrijvigheid, halen ze de papieren tevoorschijn. De uitkeringen aan volwassenen varieerden van 5000 tot 36.000 US dollars, die aan kinderen van 5000 tot 16.000 US-dollars. De volwassenen kregen het geld in een keer uitgekeerd, de kinderen in partjes en in overleg met de voogd. Sampi’s moeder ontving ongeveer 5000 US-dollars, waarvan ze haar huisje bouwde. Arisin had recht op 4947 US-dollars. Van dat bedrag is een restsom over. De voorzitter en ondervoorzitter van de stichting  Aloboetoe zullen ervoor zorgen dat het de kinderen van Arisin toekomt. Arisin heeft naar verluidt twee dochtertjes van nog geen jaar oud.

Dat er geen toezicht zou zijn geweest op de besteding zoals de kapitein veronderstelt , bestrijdt Brahim. Ook ontkent Brahim dat alle jongens die geld van het fonds kregen uitgekeerd – een andere bewering van de kapitein- zijn ontspoord. Zelf waren ze hoogst verbaasd toen ze lazen over Sampi’s wandaden. ‘Onze Sampi?’ Volgens Brahim was Arisin bescheiden, sprak hij Nederlands en kon hij wel degelijk lezen en schrijven. Hij was bezig onroerend goed te kopen. Mmm… de tegenstrijdige verklaringen maken het er niet eenvoudiger op het beeld van Sampi scherp te krijgen.

HOE HET ook zij… Freddy Sampi wil dat een en ander wordt onderzocht. ‘Het gaat er mij niet om Arisin te verdedigen. Hij had zijn straf moeten uitzitten… Maar ik vind: hij is enigszins vermoord door de politie. Zoveel schoten waren niet nodig,’ oordeelt hij. Hij denkt dat in Nederland allang diepgaand onderzoek zou zijn verricht naar de aard en rechtmatigheid van de schietpartij. ‘En kan je zomaar het huis van de moeder in brand steken, vernielingen aanrichten omdat je de persoon niet hebt gepakt? Wie vergoedt de schade?’

Politiewoordvoerder John Jones weerspreekt dat de politie schietgraag is. ‘Sampi was vuurwapengevaarlijk,’ luidt zijn verweer. In zijn kantoor aan de Nieuwe Haven bestudeert hij de foto’s van het huis, in casu de kogelgaten. ‘Ik zeg niet dat de politie het niet gedaan kan hebben. Maar daar krioelt het van de gasten die gewapend zijn. Misschien zijn ze onderling ‘bezig geweest’. Ik wil het niet verdedigen, maar pas na zoveel maanden hiermee naar buiten komen…’ Freddy antwoordt desgevraagd dat de familie bang was aangifte te doen en er geen heil in zag. ‘Als de familie aangifte doet, wordt de zaak onderzocht,’ belooft Jones. ‘De politie heeft de plicht dat te doen.’

Ellen de Vries, Samuel Wens en Afra Accord